Tot slot, de ultieme Camino-ervaring

In de Refuge van de Zusters van Madeleine, zoals ik het maar noem, werkte een hospitalero van de Franse Saint-Jacques-vereniging. Ze zag ons gisteravond aan komen lopen met de rugzakken en kwam meteen naar buiten. Ze waren op dat moment aan het eten..

Hoe het precies in elkaar zit weet ik niet, maar Ans en ik werden ondergebracht op de slaapzaal met nog een Vlaams echtpaar en twee Franse mannen..

De Vlaamse mevrouw begon direct te kletsen, ze vertelde dat ze vorig jaar de Camino naar Santiago de Compostela hadden gelopen (gestapt) vanaf Sint-Nicolaas in België. Ze hadden er drie maanden over gedaan.

Nu waren haar man en zij op het Pelgrimspad aan het fietsen. Ze hadden blijkbaar de hele dag gefietst, want ze bleven boven op de bedden liggen, het was ondertussen half negen.

Het was ons te vroeg om al het bed in te gaan, we gingen nog beneden wat stokbrood met “tonijn in mayonaise met groenten uit blik” eten, de ontdekking van deze wandeldagen in La France.

In de keuken, waar wat tafels stonden kon je zelf koken en gebruik maken van koffieapparaat, magnetron.

Er zaten twee jonge meiden, maar die kakelen zo hard in het Frans, dat we na een half uur ook maar besloten naar bed te gaan.

Nou, het slapen lukte mij goed, weer een ouderwets Camino-gevoel, zo met zijn allen op de slaapzaal. Het Vlaamse echtpaar lag rechts van mij,

mijn lief naast me, naast haar een oude bebaarde man en daar weer naast een andere Fransman.

Ans had vannacht bijna geen oog dicht gedaan, de Vlaming, de Fries naast haar en de Franse Snotgurg hadden alle drie flink gesnurkt, maar ze was vooral wakker gebleven door de snot, keel en scheetgeluiden van Snotgurg (genoemd naar Kabouter-verhaal van Rien Poortvliet).

Ik was lekker uitgeslapen vanmorgen, mijn lief dus niet.

Het ontbijt bestond uit koffie, brood en vooral jam. Het bleek dat er nog meer gasten waren, twee Duitsers. Maar die kwamen uit andere slaapvertrekken.

Nadat we geld in de bus hadden gedaan, het is donativo, zetten we de rugzakken voor de laatst op de rug, wensten we iedereen nog Bon Chemin en Buen Camino. Nog een stukje lopen naar de auto, die bij de Camping stond en daarna zo’n 650 km rijden door het Franse, Belgische en Limburgse land.

Onderweg fantaseerden we erover dat we eigenlijk een stuk van Assisi-route gelopen hebben. Een optie zou kunnen zijn om deze route nog te vervolgen richting Italië. Dat klinkt toch wel aantrekkelijk. Ik ga me er eens over laten informeren, ook omdat de boodschap van de Franciscanen heel sympathiek vindt.

Ook wandelen in Italië spreekt ons aan, als het niet in een te hete periode is.

Een groot gedeelte van onze reis vermeden we de tolwegen, toch ging het vlot: om half vijf waren we thuis, vanavond weer lekker slapen in ons eigen bedje: en dromen van prachtige wandeltochten door prachtige landschappen.

Tot de volgende wandel- en/of pelgrimstocht!

Een dagje lekker lummelen

Op de camping “Porte ‘l Arroux”, genoemd naar die prachtige oude stadspoort waren we de enige tent-kampeerders.

Om ons heen stonden bijna alleen maar grote campers, alleen om het hoekje stond een Nederlands autootje met een piepklein caravannetje. Daar had ik meteen sympathie voor.We aten bij de picknicktafel die ze bij de plek hadden neergezet, speciaal voor fietsers en wandelaars.

Toen het donker en kouder werd gingen we naar een sport recreatiezaaltje, waar een man uit waarschijnlijk Kroatië of daar in de buurt tegelijk een film op zijn mobiel aan het kijken was en ook nog televisie keek. Er was een magnetron en we maakten zo onze koffie. Nog hele tijd daar gezeten.

Daarna de tent in, we konden eerst niet slapen want er kwamen nog steeds campers binnen, die de motoren lieten draaien..

Vannacht was het gelukkig stil en sliepen we goed. Vandaag lekker uitgeslapen, tot half negen. Daarna hebben we alle etensspullen gepakt en zijn we in de recreatieruimte aan een tafeltje gaan ontbijten.

We hadden de hele dag, dus lekker rustig aan. De tent afgebroken, de was moest wel nat mee, die was nog niet droog.

We liepen voordat we de stad inliepen nog even langs de Tempel van Janus, die we in de verte zag en liggen, oud hoor! Ook al weer die Romeinen, ik geloof dat Autun een Romeinse stad was: Augustinudorum of zoiets. Uit de tijd dus van de begin van de jaartelling, want toen was Augustinus Keizer.

In Autun aangekomen wilden we graag de rugzakken kwijt, we zagen een Emaäus-winkel met 2e handspullen en vroegen daar of ze er mochten staan. Dat was geen probleem zei de madam die Frans sprak met een Spaans accent, als ze er een gebakje voor kreeg. Ok, dat doen we.

De hele dag hebben we door Autun gelopen, winkeltjes bezocht, de markt over gelopen. En tussen de middag toen veel winkels gesloten waren hebben we heerlijk geluncht.

Na de middag nog naar de kathedraal gelopen en een andere wijk ontdekt met leuke winkeltjes. Zo kregen we vandaag de dag wel om..

Om vier uur brachten we de madam van Emaäus nog haar gebakjes en haalden we onze rugzakken op.

Nog een tijd bij het station gewacht op de bus, die precies om tien voor vijf daar was.

Met de bus reden we door en langs de Morvan terug richting Vézelay, we konden met openbaar vervoer niet verder komen dan Avallon. Daar arriveerden we rond half zeven.

Met de taxi kwamen we om half acht aan in Vézelay. Daar slapen we vannacht geheel in stijl in de Pelgrims-refuge van Centre Madeleine, nog een nachtje op de slaapzaal en dan morgen naar huis.

Het was een geweldige, maar ook zware wandelweek, we waren achteraf wel blij dat we de tent bij ons hadden, want niet overal waren slaapplekken te vinden.

U hoort nog van ons, Buen Camino! En anders: wandel ze!

Laatste loodjes wegen altijd zwaar

Vannacht sliepen we heerlijk in onze Mobile-Home, een lekker bedje in een piepklein slaapkamertje. Echt een soort tiny house, maar dan met superdunne wandjes en met bloemetjesgordijnen. Maar om zo een avond en nacht in door te brengen is prima. Helemaal toen we buiten hoorden stormen en regenen.

We maakten een lekker ontbijtje met een gekookt ei erbij en yoghurt. Nadat we de boel hadden ingepakt en de Mobile-Home netjes hadden achtergelaten vertrokken we.

Met de regen hoezen om de rugzak en de regenjassen aan, want het regende pijpenstelen. Al gauw vonden we de GR-131, het bleek ook de route naar Assisi te zijn aan gegeven met oranje bordjes met een ‘T’ erop. Als de weg naar links gaat staat er op de linkerkant van de ‘T’ een wit duifje, bij rechts aan de rechterkant en als je rechtdoor gaat in het midden.

Toen we gisteren voor Glux-en-Glenne bij een kruispunt stonden, zagen we de route naar Assisi al afdraaien richting Saint-Prix. Vanaf daar is die zo naar Saint-Léger-sous-Beuvray gegaan en nu loopt hij gelijk met de GR-131.

We worden wat mismoedig van die regen, het doet ons denken aan die laatste dag in Ierland, toen we het bijltje erbij neergooiden en verder gingen wandelen in warmere en drogere streken, ook al in La France.

Maar vandaag hebben we hier dus ook zo’n dag. Gelukkig zijn het niet veel kilometers naar Autun, zo’n twintig, vijfentwintig kilometer. Op Google-maps zie je dat we de Morvan verlaten en dat het vlak is voor Autun.

En vanmiddag zal het opklaren, dan zal de zon gaan schijnen volgens de weersverwachting. Dat wordt een gemakkelijk dagje, met waarschijnlijk lijk minder bos, minder steile rotspaadjes, geen waterlopen!

Na een tijd in de regen, die onophoudelijk naar beneden komt, gaat het water door de jas en even later ook door de schoenen. Niet fijn, maar we lopen gewoon door. Ergens bij een boerenschuur stoppen we even om op adem te komen.

Soms regent het even niet, ook wij klaren dan op, maar even later regent het weer dat het giet. We steken de rivier de ‘l “Arroux over en komen in het dorpje Laizy.

Daar zien we dat er een cafeetje open is. We drinken er lekker warme koffie en thee.

Als we buiten komen lijkt het weer opgeknapt, maar nog geen vijf minuten regent het alweer. We proberen te schuilen in een kerk in het volgende dorpje, maar die is op slot. Nou, dan maar weer verder.

Het blijft wisselvallig, als we een dorpje binnenkomen is het droog en besluiten we daar onze boterhammen te eten. We gaan lekker in het zonnetje tegen een muurtje zitten en smikkelen onze boterhammen op.

Ik haal ondertussen een stempel in De Marie, want die is open. Als we toch wat afkoelen door de wind en de natte kleren, lopen we toch door.

In de verte zien we een dorpje tegen een berg aan liggen. Daar zullen we wel onderlangs langsgaan, denken we.

Op Google-maps leek het of we een vlakke etappe konden verwachten. Nou, dat viel flink tegen want net voor het dorpje gingen we van de smalle asfaltweg een modderig pad in, later bleek het een pad te zijn met hoog gras, dus werden we nog natter als we al waren.

De grootste tegenvaller was dat we die berg nog opmoesten, de klim was lang en zwaar en het leek of we de hele berg rond gingen steeds hoger en hoger. En ook nog door een groot bos met enorm modderige paden, doordat ze daar met van die grote machines door de blubber waren gereden.

Een moutain-biker begroette ons en maakte ons er op attent dat we over een kilometer bij het Croix de Liberté zouden zijn. We liepen door en waren blij dat we bij het enorme kruis beneden Autun zagen liggen, met zijn oude binnenstad en de grote Kathedraal. Een prachtig gezicht, gelukkig niet ver meer!

De laatste loodjes waren vandaag inderdaad zwaar, want vanaf het Kruis ging het pad bijna steil naar beneden door zo’n waterloop-pad. Er kwam werkelijk geen eind aan.

We zagen de stad en de Kathedraal wel steeds dichterbij komen. Eenmaal uit het bos waren we zo in de stad. Bij de Kathedraal haalde ik bij kantoortje een stempel. Ik had gehoopt dat er een Refuge voor Pelgrims zou zijn. En had verwacht dat ze bij de Kathedraal daar wel informatie zouden hebben. Beetje tegenvaller dus….

In de Kathedraal bleek dat er flink gerestaureerd werd, de helft was niet te zien, daar hing een groot laken voor.

Toen ze ons bij het Bureau van Toerisme ook niet konden helpen om. Een Refuge te vinden, besloten we naar de Camping te gaan. In de stad deden we alvast boodschappen.

Bij het station informeerden we hoe we terug kunnen naar Vézelay. We moeten wachten tot morgen vijf uur, dan rijdt er een bus naar Avallon.. Dat wordt een dagje camping en stad, dus….

Wel mooi, we liepen op weg naar de camping onder de Poort van Arroux door, morgen gaan we de Tempel van Janus bekijken. L

Ik denk dat we zondag in het geel autootje zitten richting Nederland, we hebben wel een geweldige week gehad.

Ik hou jullie op de hoogte van onze terugreis, oant moarn!

Luxe kampeerders gaan uit eten

Nadat we het museum hadden verlaten liepen we via de weg richting Léger-sous-Beuvray. Dat loopt wel lekker in vergelijking met die rotsige klimpaadjes door donkere bossen. Maar toen ik een wit-rood GR-bordje bij een weggetje omhoog zag, had ik Ans zo overgehaald. We liepen via het weggetje omhoog, nog langs een huis. Daarna werd het meer een gezellig pad met twee sporen en gras er tussen. Fijn om natte sokken te krijgen… maar het zag er fantastisch uit. Ik liep voorop en hoorde Ans zachtjes fluiten, het bleek dat ze een reebok aan de bosrand had gezien, één met een gewei. Toen ik wilde kijken was de vogel eh ik bedoel de ree gevlogen. Jammer… We liepen door en zagen tot onze schrik een bord staan met daarop ‘Bibracte’. We waren weer de Mont Beuvray aan het beklimmen! En liepen dus niet naar Saint-Léger-sous-Beuvray… We draaiden ons om en liepen dezelfde weg terug tot de bredere weg. Daar zijn we doorgelopen, tot drie kilometer voor het plaatsje.

Daar aten we wat boterhammen en pauzeerden we even. Daarna duurde het niet lang meer of een kwamen in Saint-Léger-sous-Beuvray. Alles was nog zoals jaren geleden, alleen was nu de Boulanger dicht, die had nog vakantie. Het supermarktje was nog open, dezelfde madam achter de kassa. En het krantenrek stond nog rechts van de deur, alleen nu geen grote kop van Mitterand, maar een nieuwe Charlie Hebdo. We kochten wat snoep en frisdrank en gingen op een bankje zitten op het grote dorpsplein. Bij de Mairie haalde ik nog stempels voor in de Credentials. Daarna liepen we naar de camping, daar bleek de mevrouw achter de balie van een heel klein tuinhuisje Nederlands te zijn. Omdat het morgenvroeg waarschijnlijk gaat regenen vroegen we of er misschien een caravan of zo te huur was. Er was een zogenaamde Mobile Home te huur, daar sliepen wel vaker Pelgrims in: € 25,-. Nou, daar is niks van te zeggen.. En zo zitten we nu als een soort Caravan-toeristen in ons kleine huisje voor vannacht. Heel ongezellig licht, gebloemde gordijntjes en dito bank. Maar wel lekker warm en uit de wind. Vanavond hebben we heerlijk gegeten in Hotel Morvan, wat we nog goed kennen van onze vakanties hier: heerlijk eten, ik maak niet gauw reclame, maar mocht je hier eens komen, dan raad ik je aan te gaan eten bij Hotel Morvan. Nu uitbuiken en dan naar bed, oant moarn!

Het is allemaal geschiedenis

Nondeknetter, wat hebben wij heerlijk geslapen daar in dat tweepersoons bed op die gehuurde kamer bij “Sources de’ l Yonne”. We waren van plan om ”s avonds nog naar het dorpje Glux-en-Glenne te lopen. Maar we waren allebei helemaal kapot. Ik nog meer dan Ans, want ik zat er’ ‘s middags al wat door heen, kwam bijna de berg niet meer omhoog. Van Josje, die samen met haar man de Gite annex kleine camping beheerd hoorden we dat het restaurant nog gesloten was, toen hadden we helemaal geen zin meer. Josje zou wel twee pizza voor ons klaar maken. Na de douche, schone kleertjes en die pizza hadden we geen zin meer om weg te gaan. Lekker lui in dat heerlijke bed. Uitrusten, bijkomen… Nadat we nog thee hadden gedronken en ik een heel pak koekjes had opgegeten vielen we geloof ik om negen uur in slaap. Vanmorgen om zeven uur opgestaan, het ontbijt was om acht uur, dat hadden we met Josje afgesproken. Toen ik mijn spullen wilde pakken, bleek dat er ”s nachts een poes was binnengeslopen, die lekker tussen onze spullen was gaan liggen. Op een fleece dekentje! Het was een beetje een mislukt beestje, de oren stonden wat raar en hij of zij had plekjes op de neus. Maar wel heel lief, toen ik’ ‘m aaide sprong hij daarna zo bij ons op bed.. Toen we het Josje vertelde zei die dat dat niet de bedoeling was, de poes zou vlooien hebben. Nou, dan merken we het wel…. wij en de poes, die Remy bleek te heetten omdat hij helemaal in zijn eentje was komen aanlopen, vonden het heel gezellig. Toen Josje ‘m tijdens het ontbijt buiten zette omdat hij de worst die Ans pakte ook wilde eten, was hij heel beledigd en ging buiten in de vensterbank boos naar de hond staan kijken. Net of die het gedaan had.. In ieder geval, gezellig, leuke plek, lekker bed, lekker ontbijt. We kunnen er weer tegen. Na afscheid genomen re hebben, vertrokken we richting Glux-en-Glenne. Het regende, het was grijs weer. De hoezen om. De rugzakken en de regenjas aan. Wel een verschil met 14 of 15 jaar geleden, toen was er een hittegolf! We gingen het dorpje in, er was niet veel veranderd. Ja, er was nu naast de Mairie een Camperplaats gekomen en het grote statige huis van de Baron of zo was nog meer vervallen. Bij het huisje wat we toen huurden van Josje gluurde we even naar binnen. Van binnen was het geloof ik nog het zelfde. Een piepklein huisje. De buurvrouw van toen die woonde er niet meer vertelde Josje, die was toen al oud en nu al 96 jaar. Ze woonde nu bij haar dochter. Toen we daar op vakantie waren in Glux-en-Glenne maakten we altijd een praatje met haar ‘met handen en voeten’ als de Rijdende Bakker langskwam ”s morgenvroeg. We liepen verder en ik bezocht nog het openbare toilet bij het standbeeld van de Eerste Wereldoorlog en de Kerk. Toch fijn zo’n openbaar toilet: denk je: dan hoef ik niet in het bos te hurken achter een boom..Turks toilet noemen ze dat hier. We lieten ons geliefde dorpje achter ons, mijmerend over onze eigen gezinsgeschiedenis. Nu zijn de kinderen al uit huis en wonen op zichzelf, toen waren ze nog klein en wij een stuk jonger. Leuk om die herinneringen zo weer boven te halen. Vandaag wandelen we richting Saint-Léger-sous-Beuvray. We verlaten de GR-13 en het pelgrimspad naar Le-Puy-en-Velay, omdat we afdraaien naar Autun, waar een station is. Daar proberen we richting Vézelay te komen, misschien via Avallon en dat lopen of liften we terug naar de Camping waar onze auto staat.. Behoorlijk ingewikkeld, dat openbaar vervoer hier in La France. Ik denk dat je hier op het platteland niet veel kunt als je geen auto hebt. We lopen door, zien wel zo nu en dan een wit-rood kruis van de GR-13, maar negeren dat en lopen via de weg tot we bij een T-splitsing komen. Daar zien we Bibracte staan op een bordje, nog 2 km. Bibracte was een Gallische stad, die vroeger op de Mont Beuvray lag. Er worden al jaren opgravingen gen gedaan, toen wij op vakantie waren in Glux-en-Glenne sliepen in het huis naast ons veel archeologen. Voor archeologen moet Bibracte een uitdaging zijn, zoveel is er al opgegraven. Bibracte werd ooit aangevallen door de legers van Caesar. De stam die Bibracte verloor, besloot daarna samen te werken met andere Gallische stammen.. Ondanks deze samenwerking verloren ze toch uiteindelijk van de Romeinen. Behalve Gallische vondsten zijn er ook veel Romeinse zaken gevonden. Heel interessant allemaal, maar mijn lief en ik stonden nog op 13 september 2017 om half elf voor die berg. Het begon goed, Ans zei nog: “Zo, je gaat lekker…”. Ze had deze woorden nog niet uitgesproken of mijn adem stokte en mijn kuiten verzuurden en ik moest weer letterlijk op adem komen. De weg naar Bibracte ging werkelijk steil naar boven. Ik had er voorstellingen van dat Asterix en Obelix en hun kornuiten op dit pad de Romeinen de bosjes ingooiden. Flinke dosis toverdrank en dan maar gooien met die Romeinen. Ze rollen zo de berg af. Maar gelukkig ben ik geen Romein en klim ik op mijn manier naar boven, mijn lief is al bijna boven. Die heeft klimbenen, ik niet. Ik ben meer van afdalen en rechte lange stukken. Maar s. v. p. niet teveel graden helling, want dan is er sprake van instortingsgevaar bij mij, dan krijg ik geen adem meer. We komen boven en zien een archeologische site, waar men een soort dak over heeft gemaakt. We zien wat mannetjes bezig. Het blijken geen archeologen te zijn, maar metselaars. Zij metselen de opgegraven fundamenten, zodat die goed bewaard blijven. Soms wordt er voor gekozen om de boel op te graven, alles te documenteren en dan de boel weer te met aarde te bedekken. Conserveren noemen ze dat. Hoe ze dat metselen noemen weet ik niet: restaureren? De opgraving blijkt een Franciscaner klooster geweest te zijn, je ziet de contouren van een klooster met een kapel. Voordat we aan de koffie gaan in het Museum wat aan de andere kant van de Mont Beuvray beneden ligt, gaan we nog naar het hoogste punt van de berg. Daar waren we jaren geleden met mijn schoonouders, genietend van een prachtig uitzicht, je kon zelfs Autun en ik geloof zelfs Beane zien liggen. Nou, we hebben pech: vandaag zien we alleen mist en regen! Op een bord staat aangegeven waar in de verte allerlei plaatsen te zien zijn. Wij zittente staren in de mist….

Verderop staat een tent, waar wij even uitrusten en schuilen. We zijn zelfs nat geworden onder de regenjassen. Zweet en regen, een plakkerige combinatie…. Nadat we wat gegeten hebben en wat opgedroogd zijn wandelen we naar beneden. Ook twee kilometer. We lopen langs de archeologische sites en komen nog langs een reconstructie van een verdedigingsmuur. In het super-moderne museum is een ruimte waar je koffie uit een automaat kan kopen en ook wat lekkers. Dit doen we, ondertussen kunnen we mooi wat opdrogen, want de kachel staat er aan.

De rest van het verhaal stuur ik straks, want het is nogal langdradig, dat heb je met geschiedenis, dat was vroeger op school ook al zo. U hoort van ons, vandaag nog, eerst weer de tegenwoordige tijd weer in, want de maag knort…..

Naar Glux-en-Glenne herinneringen ophalen

Ondanks de lekkere bedjes in de separees sliepen we vannacht niet erg goed. De Gemeente had zeker een werkloze timmerman aan het werk gezet en die die bedjes laten timmeren. Het zag er mooi en degelijk uit, maar ze kraakten verschrikkelijk.

De Vlamingen lagen aan de andere kant, maar elke keer als Wim of Marleen zich omdraaide kraakte het hout. Ook bij ons kraakte het dat het verrekte..

Onze Belgische vrienden hebben ‘s nachts de matrassen eraf getild en zijn op de grond gaan liggen vertelden ze vanmorgen.

Zij liepen vandaag een stuk verder als ons, naar Larochemillay, zo’n 35 km. We kletsten nog wat aan de ontbijttafel. Vooral Marleen is een echte kletstante, dat hadden we gisteren al gemerkt. Ze laat de gamaschen zien die ze normaal met fietsen gebruikt en die ze een beetje heeft veranderd.

Gisteravond en vannacht heeft het heel hard geregend, het kwam werkelijk met bakken uit de hemel. Blij dat we niet op de Camping stonden in Anost! We namen afscheid van Wim en Marleen en wensten hen nog een “Bon Chemin”. Ik maakte nog een foto van de twee Pelgrims.

Raar is dat, dat je mensen leert kennen onderweg en ze waarschijnlijk nooit meer ziet. Ik moest tijdens de Camino erg moeten wennen aan dat idee, dat contact vaak heel vluchtig is. Maar ik ben er wel achter gekomen dat echte Camino-vriendschappen blijven!

Om half negen vertrokken mijn lief en ik uit de oude school. We liepen door het dorpje Athez, nog over de weg, maar vijf minuten later waren we al weer in het bos omhoog aan het klimmen in zo’n holle, stenig, rotsig pad. En het was uitkijken want de stenen waren glad en het was erg modderig door de regen.

Het pad ging flink steil omhoog, een lekkere kuitenbijter zo aan het begin van de dag. Het viel gelukkig mee met de plassen, dat was gisteren meer het probleem. Enorme plassen zodat je door het bos erom heen moet.

Het duurde weer een hele tijd voordat we weer uit het bos waren en weer in de bewoonde wereld kwamen. Wat opvalt is dat er heel veel Nederlanders in de Morvan wonen of er een vakantiewoning hebben. Sommige hebben er een Gite bij, die ze verhuren. Je ziet dat ook geregeld een Nederlandse auto voor die huizen staan..

Wij zijn altijd weer blij dat we uit de bossen zijn en weer om ons heen kunnen kijken. In het bos zie echt door de bomen het bos niet meer en het is er vaak wat klam en koud, terwijl het in een open landschap lekker zonnig en warm is.

Toen we bij een drukke weg kwamen, bleek dat we die moesten oversteken, via een klein paadje kwamen we bij een soort Energiecentrale, die stroom opwekte van het water wat naar beneden kwam. We liepen verder en het bleek dat we in de Gorges de la Canche waren beland, een diepe kloof waar verschillende watervallen zijn.

Het paadje waar je meer moest klauteren als lopen liep langs het water, je hoorde het geraas van het water wat met groot geweld naar beneden stortte. Nu helemaal, omdat het vannacht zo had geregend. We kwamen op een punt waar je normaal over stenen naar de overkant kon lopen. Nou, vandaag niet, zo hoog stond het water. Omkeren was geen optie, want dan hadden we langs die drukke verkeersweg moeten lopen. Eerst probeerde ik overeen boomstam die over het water lag te klimmen, maar de stam was echt spiegelglad en ik kon mij evenwicht met moeite bewaren.

Dus de schoenen maar uitgedaan en met blote voeten en de schoenen en sokken in de hand naar de overkant.

Aan de overkant de voetjes afdrogen, schoentjes aan en weer verder klauteren over de spiegelgladde stenen en klimmen over bomen die omgevallen waren en over het pad lagen. Een echte hindernisbaan vandaag….

Verderop nog een keer hetzelfde ritueel, schoenen uit, door het water en weer verder. Een Fransman met sportschoentjes en twee stokken sprong zo van steen tot steen, maar ja, die had geen zware rugzak. En hij had wel natte voeten…. rare jongens die Fransozen!

Het was al met al nog een heel langdurig geklauter en geklim. Om twaalf uur waren we aangekomen bij een stuwmeer, waar we onze boterhammen aten en chocolademelk dronken. Het weer zat alleen niet mee, toen we gingen zitten scheen de zon, vijf minuten later regende het. Dus waren we voor we het wisten al weer aan de wandel.

Gelukkig nu weer een stuk over de weg, dan kun je kilometers maken, blik op oneindig, verstand op nul en door….

Tot we op het kruispunt kwamen van Saint-Prix en Saint-Léger-sur-Beuvray namen we nog een pauze. Het zonnetje bleef nu gelukkig schijnen.

Na de pauze liepen we weer het bos in, veel naaldbossen, dat herinnerden we ons nog van 14 jaar geleden, toen we met de kinderen een huisje hadden gehuurd in Glux-en-Glenne. Het was die zomer, dat er er een hittegolf was in Frankrijk. We zagen in de winkels kranten liggen met de toenmalige President Mitterand, die het Franse volk iets mededeelde. We wisten niet wat er gebeurd was, achteraf hoorden we dat er in Parijs en de grote steden bejaarde mensen waren gestorven door de hitte.

Wij hebben die vakantie bijna alleen aan een bosmeertje gelegen, de kinderen hebben heerlijk gespeeld en gedoken in de koele water.

Maar we lopen nu nog door het bos, al uren. Met behulp van Google-maps willen we een stuk afsnijden. Maar als we na een lange klim aan de andere kant van de berg komen blijkt dat we daar geen bereik hebben. We zijn verdwaald… Om toch maar de Gite “Aux Sources de ‘l Yonne” te vinden klimmen we maar weer naar boven. Daar wijst Google ons de weg, we komen langs wat huisjes bij een D-weg.

Midden op de weg staat bij een huis een wit hondje ons op te wachten. Hij kwispelt met zijn staart en springt tegen mij op. Zijn baasje staat in de tuin en roept ‘m: in het Nederlands. We raken aan de praat en hij vraagt naar onze wandeling. Dan loopt hij stukje mee om ons een mooie route naar de Gite te wijzen. Misschien komen we ook nog beestjes tegen, zegt hij. Hij geeft een hand en loopt terug naar zijn hondje, zijn Franse huis en zijn Mercedes.

De laatste loodjes wegen altijd het zwaarst zeggen ze. Maar als je eenmaal aangekomen bent, gedouched, koffie, gegeten, dan vergeet je die loodjes. Dan ben je moe en voldaan, een gelukzalig gevoel is dat!

Helemaal op zo’n gehuurde kamer, geen tent opzetten, niet koken op een gasbrandertje, geen kou. Heerlijk!

De familie Lagenweg heeft het goed voor elkaar, we huurden 14 jaar geleden in het dorp Glux-en-Glenne een appartementje, vandaag een kamer. Grappig, ze kende me nog van gezicht. Nu lekker relaxen, morgen via Bibracte op Mont-Beuvray naar Saint-Léger-sur-Beuvray. Dan weer kamperen.

En dan moeten we langzaam aan denken aan de reis terug naar Vézelay, want dat schijnt toch nogal ingewikkeld te zijn. Als we in Saint-Léger-sur-Beuvray zijn dan volgen we verder de GR-131 en lopen we naar Autun, waar een station is.

U hoort morgen meer, hoe en wat en waarom en vooral waar heen… oant moarn!

Stormy and rainy night, with my love on my side

In Chevigny op Camping ‘l) Hermitage was het nog lang onrustig. Er waren twee wandelaars met een groen tentje. En een heel aardige camping beheerder, die uit Normandië bleek te komen.

Een geweldige camping, Waarschijnlijk vinden veel Nederlanders het wat gedateerd. Maar dat is precies waar ik of wij van houden. Oude vergane glorie. Op een Certificaat op de deur stond dat het gecertificeerd was in 1941. In de oorlog dus. Nou, het zag er allemaal, behalve de plastic stoeltjes en tafeltjes ook jaren-40-stijl uit. Prachtig! Net of we in een oude Franse film zitten of in “Hallo, hallo”, die geweldige serie met kroegbaas René.

Mijn fantasie vliegt op hol op dit soort plaatsen, 1941: misschien zaten er wel Duitsers in dit gebouw. Allemaal beton en alles onderkelderd. Net zoals vroeger bij ons in Friesland, daar was Kamp Sondel, ook al een recreatiepark. Daar hadden ze na de oorlog vakantiehuisjes van die bunkers gemaakt. Maar het zijn dus maar fantasieën van mij. Misschien was het wel niet Duits, maar juist heel Frans. Je weet het niet, maar ik zou het wel willen weten….

In ieder geval had de oude Normandische Campingbaas gisteren onze was binnengehaald en die binnen laten drogen. Het stapeltje lag op tafel in dat gezellige bruine kroegje. Ook had de lieve man brood voor ons, omdat de bakker maandag niet kwam. De rekening werd uitgereikt, € 30,- voor overnachten, brood en een paar peperdure blikjes met eten. Maar ja, als je trek hebt, dan wil je wat. En als er geen winkel in de buurt is….

Even voor half negen vertrokken we, de tent weer nat in de rugzak. Brood en beleg mee voor onderweg. We liepen nog een stuk langs het meer, Lac les Settons , tot we afsloegen en via een wat moerassig landschap op een weggetje uitkwamen. We zagen eekhoorntjes verstoppertje spelen achter de bomen. Het weer was nog grijs, maar zo en dan kwam er een stukje blauw tevoorschijn. Het werd een dag van jasje-aan-jasje-uit. Elke keer als je dacht er komt regen, ik trek een regenjas aan, dan begon de zon te schijnen. trok je de jas uit, dan begon het te regenen. Weer zo’n geval van “de Wet van Murphy”. Wij maakten daar grapjes over omdat we bij Ben Murphy in de tuin hebben gekampeerd in Sneem in Ierland.

Het waren mooie landschappen waar we vandaag aan voorbij gingen, vooral die met zo nu en dan en huisje, een boerderij en met mooie uitzicht over de groene velden van de Morvan. In de verte de bossen. Van je af kunnen kijken daar houden mijn lief en ik het meest van, we hebben blijkbaar allebeide een nieuwsgierige aard.

Maar degene die de routes van de GR bedenkt, die denkt daar blijkbaar anders over: het grootste gedeelte van de dag liepen we door de bossen, de wouden over stenige, rotsachtige paden, die vaak meer lijken op waterlopen. Omhoog en omlaag, waardoor ik moeilijk omhoog kom en Ans moeilijk omlaag. Het leverde wel mooie plaatjes op van o. a. paddenstoelen, die blijkbaar met dit weer als….uit de grond komen.. Ik heb er vandaag veel gefotografeerd.

Dit is er nog maar een selectie van. Er waren er in ieder geval veel in die vochtige bossen. We rekenden uit dat we gemiddeld zo’n drie kilometer per uur liepen. Het plan was om een halve rustdag te nemen en 14 kometen te lopen naar Anost. Daar zouden we dan de camping pakken en hadden we nog de hele middag om te luieren. Nou, het liep anders door ons slakkengangetje. Om half drie kwamen we in het leuke dorpje.

De winkel was nog dicht en we wachten even in een leuk kroegje. Daar zag ik dat er ook een Gite Etappe in de buurt was. Zo’n Gite Municipal, waar ik in 2015 veel heb geslapen en waar je voor heel weinig geld kunt overnachten. We besloten te bellen, nadat we eerst boodschappen gedaan hadden bij de plaatselijke Casino. (winkelketen in Frankrijk).

Bij de kerk op een bankje belde mijn lief in haar beste Frans de mevroi die alles regelde. We konden komen, zij zou zo en zo laat daar zijn voor de verdere formaliteiten. Mooi, lekker een bedje voor vannacht!

Ik bekeek de kerk nog, daar zag ik een paar mooie beelden en ook mooie glas-in-loodramen. Er lagen ook twee belangrijke grijze figuren begraven, ik ben er niet achter gekomen wie of wat….

Bij de Pharmacy kochten we nog wat peperdure Omeprazol voor mij, omdat ik die niet genoeg bij me had. Daarna liepen we nog de Mairie binnen voor een stempel voor de Credentials en om de weg te vragen naar Athez, waar de Gite zou zijn. We werden zeer vriendelijk te woord gestaan en liepen zoals madam het ons uitgelegd had. Onderweg werd ik bijna omvergereden, omdat ik bij een bocht overstak. Ik sprong op tijd opzij en de automobilist remde gelukkig. Anders had ik nu dit verhaal niet getypt op dit kleine mobieltje…. Jacobus? Beschermengeltje?

Om half zes kwamen we aan bij de Gite, een oude school, waar een slaapzaal is, met separees. Een keuken en een ruimte waar je kunt zitten. En wie kwamen we tegen? De twee Vlaamse Pelgrims, ze heten Wim en Marleen, die we gisteren ontmoet hadden. Het werd nog gezellig, en we gingen moe en voldaan het lekkere bedje in. Oant moarn, tot morgen, a demain!

Door de bossen…

Ik schrijf vandaag maar twee verslagen, want een dag later een verslag schrijven kost me toch meer moeite als ik dacht. We maken zoveel mee, we zien zoveel, doen zoveel indrukken op, dat het moelijk is om alles goed terug te halen.

Daarom vandaag het verslag over vandaag, zondag 10 september.

We sliepen vannacht werkelijk heerlijk in ons knusse tentje. We verwachtten dat het koud zou zijn, maar dat viel reuze mee. Maar het blijft slapen in de tent, dat is toch anders als in een gewoon bed in een gewoon huis slapen. In de tent word je toch geregeld wakker, of door een blaffende hond, of door een uil die keihard ‘Oehoe’ roept. Of door de wind die de bladeren doet ritselen.

Of die eikel die uit de boom valt bovenop je tent. Dat soort dingen.

Allemaal hazenslaapjes tussen die geluiden door. Met als gevolg dat we vanmorgen best wel laat wakker werden. Zo’n half acht stonden we op, eerst lekker ontbeten in die gezellige recreatieruimte.

Na het ontbijt de tent afgebroken, die was nog behoorlijk nat, dus die kilo’s moesten vandaag extra mee.

Om half negen liepen we richting dorp, waar we eerst bij de bakker een brood kochten en in de kruidenierswinkel nog wat fruit, yoghurt, kaas en chocomel, voor onderweg.

Ik keek nog even naar die oude foto’s die er tegenover voor het raam stonden: foto’s van de flotteurs, die vroeger zo het hout over de rivieren naar Parijs vervoerden. Armoede was het in de Morvan. De streek werd letterlijk uitgemolken. De vrouwen die net kinderen hadden werkten als ‘min’ in Parijs, want die rijke madammen wilden zelf geen moedermelk geven. Alle hout werd bijna gehakt in de Morvan om de kachels in Parijs op te stoken.

Een beetje zoals de Peel bij ons, bittere armoede, kleine boetenbedrijfjes, slechte grond.

Keihard werken voor weinig loon.

We liepen verder met nog wat extra kilo’s etenswaren erbij. Weer dezelfde weg terug naar de brug over La Cure. Daar moesten we oversteken en een stukje naar rechts langs een D-weg lopen. Bij de eerste afslag ging het al flink omhoog, een soort fietspad, we kwamen al een mountainbiker tegen, maar die kwam van boven, dus die ging hard.

Wij niet, het was vandaag de eerste beklimming, dus zijn de spieren nog wat stram. Maar we waren beiden zo met klimmen bezig dat we totaal niet opgelet hadden of er wit-rode markeringen op de bomen stonden. Bijna boven kwamen we daar achter, Ans zocht op Google-maps de route en het bleek dat we als we stuk door het bos liepen we uitkwamen bij de GR-13. Gelukkig!

Tot nu toe was het heel goed gegaan, de markeringen staan overal goed, vallen op en we zijn steeds goed gelopen, nog steeds niet de weg kwijt geraakt. Dat overkwam mij toch geregeld in 2015, ik praatte het goed met het idee dat dat er bij hoort en dat je door verdwalen heel vaak op mooie plekken komt, waar je anders nooit was geweest. Dat is nstuurlijk ook wel zo, maar op het moment dat het gebeurd is het niet fijn. Dat is lullen achteraf, in retro-perspectief….

Want vaak verdwaal je als je moe bent op het einde van de dag en dan baal je ervan.

Over vandaag kan ik eigenlijk het best vertellen, dat het weer een bos-dag was en dat we steeds blij waren als we een weiland of een huis zagen. Wel liepen we hele stukken door oude loofbossen met veel beukenbomen. Dat is wel prachtig, die grillige bomen met die felgroene bladeren waar dan de zon door heen schijnt. Net een sprookje.

Met het weer hebben we weer geluk, toen we vanmorgen vertrokken was het nog flink mistig. Die trok weg en het zonnetje liet zich ook geregeld even zien. Dan is het wel jammer dat je dan door zo’n donker bos loopt.

Toen we ergens uitrusten kwamen we twee Vlaamse pelgrims tegen. Zij hadden dezelfde afstand als ons in een dag minder gelopen. (gestapt zeggen zij). Ook vandaag liepen ze nog stuk verder als ons. Maar ze kampeerden niet en lieten zich bij aankomst in gite’s lekker verwennen. Tja, als je dat allemaal kunt veroorloven, dan gaat dat! En je hebt veel minder kilo’s op je rug, dat loopt ook wat gemakkelijker, helemaal berg-op.

Eind van de middag kwamen we aan bij Le Lac-de-Settons, een gigantisch meer, ik denk van een stuwmeer, want er was een soort stuwdam waar we overheen liepen.

Bij een restaurantje dronken we thee en koffie, daar kwamen we de twee Vlamingen ook weer tegen.

Een uur of vijf waren we op de camping, alweer zijn we de enige gasten. Het seizoen is afgelopen vertelde de oude campingbaas, en seizoen was ook niet begonnen door het slechte weer.

Gelukkig heeft hij ook een winkeltje, daar kopen we wat “blikvoer”, snoep en koekjes. In ieder geval wat te eten vanavond, want onderweg kwamen we er al achter dat hier zondags bijna niets open is. Nu helemaal niet, omdat het toeristenseizoen is afgelopen.

De tent staat, we hebben gedouched, gegeten, vanavond er weer vroeg in, hopelijk net zo warm als gisternacht.

Oant moarn, het weer wordt kouder hier, er wordt regen verwacht….

Van Chastellux-sur-Cure naar Dun-les-Places klimmen en klauteren

Na het uitgebreide ontbijt, compleet met kiwi’s, yoghurtjes, brood en koffie vertrokken we. Het was ondertussen al kwart over acht.

Vandaag was het een bos-en woud-etapppe. Er waren maar weinig dorpjes tussendoor. Paul had ons vertelt dat we beter niet de originele GR-route vanaf hun huis konden lopen, want dat was erg om en de route ging daar meteen omhoog door een rotsige en stenige waterloop. Nou, daar houden wij toevallig ook niet zo van.

Dus ging het eerste stuk over mooie landweggetjes, we staken nog een meertje over. Daar zaten allemaal vissers te staren naar hun dobbertjes. Het leek wel of ze kampeerden.. Allemaal een tentje, een parasolletje, een stoeltje en een hengeltje of nog een. Nou, ieder zijn ding hé! Wij zijn meer van het wandelen.

Een oude man stond na de brug zijn hengel uit te pakken en begroette ons vriendelijk met ‘Bonjour!’ Nou, ook Bonjour. We gingen een stenen pad op, dat flink omhoog ging, steil omhoog. Zo’n echte kuitenbijter, die mij op zijn tijd ook nog de adem beneemt en mijn hart flink doet kloppen. Op zijn tijd dus even stoppen, even op adem komen en dan weer verder… Mijn lief heeft meer klimmerbloed, die gaat in een tempo naar boven. Zij heeft weer meer moeite met afdalen. Dat is meer mijn ding. Ik ga zwaar zuchtend naar boven en huppelend naar beneden.

Voor een buitenstaander moet dat toch een raar gezicht zijn. Die zullen ons wel een raar stel vinden.

Ons interesseert dat niet: we kennen elkaars mogelijkheden en beperkingen en accepteren dat van elkaar. Dat wandelt het lekkerst.

Soms loop ik meters voorop, soms Ans, soms lopen we samen. Net hoe het uitkomt, net hoe we ons voelen.

Na de top van de heuvel zagen we het dorpje Marigny-‘l Eglise liggen, een mooi dorpje met een kerkje, een café met herberg, postkantoor en winkeltje erin. Dus daar dronken we koffie, een lekker chocolade croissant erbij.

In het winkeltje kochten we nog wat mini-verpakkingen jam en tonijn. Niet omdat we dat nodig hadden, maar omdat we het winkeltje zo willen steunen. Stel je voor dat dit zou verdwijnen uit zo’n dorpje….

De rest van de dag liepen we veel door het bos, heel veel naaldbossen met flinke beklimmingen en natuurlijk de afdalingen die daar bij horen.

Om een uur of drie kwamen we bij de brug over la Cure, daar was een café – restaurant waar we een lekkere cola en een spa’tje bestelden. De eigenaar bleek een Nederlander te zijn en legde Ans uit hoe je het beste naar Dun-les-Places konden lopen.

Dat was zo op het einde van de dag nog een hele wandeling, omhoog natuurlijk.

Net voor vieren kwamen we aan, de boulangerie en de epicerie gingen om vier uur open. Flink boodschappen gedaan en heerlijk brood bij de vriendelijke bakkersvrouw.

Daarna was het nog een stuk klimmen naar de Camping Municipal. Toen we daar kwamen was er niemand, geen beheerder, geen campinggasten. We hadden de hele camping voor ons alleen! De tent werd opgezet en alle eten, kookspullen zetten we neer in het was-annex-keuken-gebouw, waar ook nog een ruimte was met lekkere luie stoelen.

Nadat we gedouched en lekker opgefrist waren aten we eerst een lekkere kop soep. Daarna belden we het telefoonnummer wat je moest bellen als je op de camping kwam. De madam genaamd Christelle zou om zeven uur komen.

Zij kwam inderdaad, we hoorden haar van verre al aankomen met haar brommerautootje, vol gas de berg op.

Nou, het was weer een echte Camping Municipal! Ik moest € 9,94 afrekenen, supergoedkoop die gemeentelijke campings. Christelle vroeg nog om de Credential, want ze had ook een stempel bij zich om die af te stempelen. Wij helemaal blij vanzelf. We waren de eerste Compostela-pelgrims dit jaar zei ze. Er was wel een Pelgrim geweest die naar Assisi ging.

‘s Avonds was het nog heel gezellig op de lege camping, vooral in de recreatie-ruimte was het supergezellig. Twee wandelaars van middelbare leeftijd op een luie stoel met een telefoontje.

Als dat niet gezellig is….